Zoek woord verstomd doen staan heeft 24 resultaten
NL Nederlands SV Zweeds
verstomd doen staan (v) [algemeen] göra paff (v) [algemeen]
verstomd doen staan (v) [versteld doen staan] göra mållös (v) [versteld doen staan]
verstomd doen staan (v) [ontzetten] göra mållös (v) [ontzetten]
verstomd doen staan (v) [algemeen] göra mållös (v) [algemeen]
verstomd doen staan (v) [versteld doen staan] förstumma (v) [versteld doen staan]
NL Nederlands SV Zweeds
verstomd doen staan (v) [ontzetten] förstumma (v) [ontzetten]
verstomd doen staan (v) [algemeen] förstumma (v) [algemeen]
verstomd doen staan (v) [ontzetten] lamslå (v) [ontzetten]
verstomd doen staan (v) [algemeen] lamslå (v) [algemeen]
verstomd doen staan (v) [ontzetten] omstörta (v) [ontzetten]
verstomd doen staan (v) [algemeen] omstörta (v) [algemeen]
verstomd doen staan (v) [ontzetten] göra paff (v) [ontzetten]
verstomd doen staan (v) [algemeen] överväldiga (v) [algemeen]
verstomd doen staan (v) [ontzetten] slå med häpnad (v) [ontzetten]
verstomd doen staan (v) [algemeen] slå med häpnad (v) [algemeen]
verstomd doen staan (v) [versteld doen staan] förvåna (v) [versteld doen staan]
verstomd doen staan (v) [algemeen] förvåna (v) [algemeen]
verstomd doen staan (v) [versteld doen staan] överraska (v) [versteld doen staan]
verstomd doen staan (v) [versteld doen staan] göra häpen (v) [versteld doen staan]
verstomd doen staan (v) [algemeen] göra häpen (v) [algemeen]
verstomd doen staan (v) [versteld doen staan] förbluffa (v) [versteld doen staan]
verstomd doen staan (v) [ontzetten] förbluffa (v) [ontzetten]
verstomd doen staan (v) [algemeen] förbluffa (v) [algemeen]
verstomd doen staan (v) [versteld doen staan] överväldiga (v) [versteld doen staan]

NL SV Vertalingen voor verstomd

verstomd (a) [geestestoestand] förvirrad (a) [geestestoestand]
verstomd (a) [geestestoestand] förvillad (a) [geestestoestand]
verstomd (a) [geestestoestand] förbryllad (a) [geestestoestand]
verstomd (a) [geestestoestand] konfunderad (a) [geestestoestand]
verstomd (a) [geestestoestand] konfys (a) [geestestoestand]
verstomd (a) [geestestoestand] rådlös (a) [geestestoestand]
verstomd (a) [gevoelens] förbluffad (a) [gevoelens]
verstomd (a) [gevoelens] förvånad (a) [gevoelens]
verstomd (a) [gevoelens] häpen (a) [gevoelens]
verstomd (a) [gevoelens] förstummad (a) [gevoelens]

NL SV Vertalingen voor doen

doen (n adj v) [to decay]
  • gedaan
  • doet
  • doen
  • deed
  • deden
förfalla (n adj v) [to decay]
  • förfallen
doen (v) [to make one suppose]
  • gedaan
  • doet
  • doen
  • deed
  • deden
antyda (v) [to make one suppose]
  • antydd
doen (v n) [cause to do]
  • gedaan
  • doet
  • doen
  • deed
  • deden
(v n) [cause to do]
  • fången
doen (v) [aktie]
  • gedaan
  • doet
  • doen
  • deed
  • deden
ta (v) [aktie]
  • tagen
doen (v) [aktie]
  • gedaan
  • doet
  • doen
  • deed
  • deden
handla (v) [aktie]
  • handlad
doen (v) [handelen]
  • gedaan
  • doet
  • doen
  • deed
  • deden
handla (v) [handelen]
  • handlad
doen (v) [aktie]
  • gedaan
  • doet
  • doen
  • deed
  • deden
göra (v) [aktie]
  • gjord
doen (v) [handelen]
  • gedaan
  • doet
  • doen
  • deed
  • deden
göra (v) [handelen]
  • gjord

NL SV Vertalingen voor staan

staan (v) [occupy a place]
  • gestaan
  • staat
  • staan
  • stond
  • stonden
ligga (v) [occupy a place]
  • legad
staan (v) [occupy a place] vara (v) [occupy a place]
staan (v) [occupy a place]
  • gestaan
  • staat
  • staan
  • stond
  • stonden
sitta (v) [occupy a place]
  • sutten
staan (v) [occupy a place] finnas (v) [occupy a place]
staan (v) [to exist] finnas (v) [to exist]
staan (v) [houding]
  • gestaan
  • staat
  • staan
  • stond
  • stonden
stå (v) [houding]
  • stådd
staan (v) [occupy a place]
  • gestaan
  • staat
  • staan
  • stond
  • stonden
stå (v) [occupy a place]
  • stådd
staan (v int n) [to indicate in a written form]
  • gestaan
  • staat
  • staan
  • stond
  • stonden
stå (v int n) [to indicate in a written form]
  • stådd
staan (v n) [to support oneself on the feet in an erect position]
  • gestaan
  • staat
  • staan
  • stond
  • stonden
stå (v n) [to support oneself on the feet in an erect position]
  • stådd
staan (v) [houding] stå upprätt (v) [houding]