Zoek woord het gerucht gaat dat heeft 2 resultaten
Ga naar
NLNederlandsSVZweeds
het gerucht gaat dat(o)[roddel] det viskas om att(o)[roddel]
het gerucht gaat dat(o)[roddel] det tisslas och tasslas om att(o)[roddel]

NLSVVertalingen voor het

het(article adv)[article] det(article adv)[article]
het(o)[bepaald lidwoord] det(o)[bepaald lidwoord]
het(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.] det(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
het(o)[persoonlijk vnw. - onderwerp] det(o)[persoonlijk vnw. - onderwerp]
het(article adv)[stressed, indicating that the object in question is the only one worthy of attention] det(article adv)[stressed, indicating that the object in question is the only one worthy of attention]
het(article adv)[used as an alternative to a possessive pronoun before body parts] det(article adv)[used as an alternative to a possessive pronoun before body parts]
het(article adv)[with a superlative] det(article adv)[with a superlative]
het(article adv)[with an adjectival noun, as in “the hungry” to mean “hungry people”] det(article adv)[with an adjectival noun, as in “the hungry” to mean “hungry people”]
het(article adv)[article] den(article adv)[article]
het(o)[bepaald lidwoord] den(o)[bepaald lidwoord]

NLSVVertalingen voor gerucht

gerucht(n v)[statement or claim from no known reliable source]{n} rykte(n v){n}[statement or claim from no known reliable source]
gerucht(n)[verhaal]{n} rykte(n){n}[verhaal]

NLSVVertalingen voor dat

dat(determiner pronoun n)[(''relative'') who, whom, what] som(determiner pronoun n)[(''relative'') who, whom, what]
dat(o)[aanwijzend] som(o)[aanwijzend]
dat(o)[aanwijzend voornaamwoord] som(o)[aanwijzend voornaamwoord]
dat(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.] som(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.]
dat(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.] som(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.]
dat(pronoun adv int determiner)[nonstandard relative pronoun] som(pronoun adv int determiner)[nonstandard relative pronoun]
dat(conj determiner pronoun adv)[which] som(conj determiner pronoun adv)[which]
dat(o)[aanwijzend] den där(o)[aanwijzend]
dat(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - enk.] den där(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - enk.]
dat(o)[aanwijzend voornaamwoord] den där(o)[aanwijzend voornaamwoord]