Zoek woord die heeft 82 resultaten
NLNederlandsSVZweeds
die(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.] den(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.]
die(o)[aanwijzend] de där(o)[aanwijzend]
die(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - mv.] den här(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - mv.]
die(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.] den här(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.]
die(o)[bettr. vnw. - onderwerp - pl.] den här(o)[bettr. vnw. - onderwerp - pl.]
NLNederlandsSVZweeds
die(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.] den här(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.]
die(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - mv.] den här(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - mv.]
die(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.] den här(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.]
die(o)[aanwijzend voornaamwoord - mv.] den här(o)[aanwijzend voornaamwoord - mv.]
die(o)[aanwijzend] den här(o)[aanwijzend]
die(conj determiner pronoun adv)[what is being indicated] den(conj determiner pronoun adv)[what is being indicated]
die(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - enk.] de där(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - enk.]
die(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.] den(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.]
die(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.] den(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.]
die(o)[aanwijzend] den(o)[aanwijzend]
die(conj determiner pronoun adv)[what is being indicated] det(conj determiner pronoun adv)[what is being indicated]
die(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.] det(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.]
die(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.] det(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.]
die(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.] det(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.]
die(o)[aanwijzend] det(o)[aanwijzend]
die(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - mv.] det här(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - mv.]
die(o)[aanwijzend] de här(o)[aanwijzend]
die(conj determiner pronoun adv)[which] vilken(conj determiner pronoun adv)[which]
die(determiner pronoun n)[(''relative'') who, whom, what] vilken(determiner pronoun n)[(''relative'') who, whom, what]
die(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - mv.] de här(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - mv.]
die(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.] de här(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.]
die(o)[bettr. vnw. - onderwerp - pl.] de här(o)[bettr. vnw. - onderwerp - pl.]
die(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.] de här(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.]
die(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - mv.] de här(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - mv.]
die(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.] de här(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.]
die(o)[aanwijzend voornaamwoord - mv.] de här(o)[aanwijzend voornaamwoord - mv.]
die(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.] det här(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.]
die(pronoun)[specified object] de där(pronoun)[specified object]
die(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - mv.] de där(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - mv.]
die(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.] de där(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.]
die(o)[bettr. vnw. - onderwerp - pl.] de där(o)[bettr. vnw. - onderwerp - pl.]
die(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.] de där(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.]
die(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - mv.] de där(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - mv.]
die(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.] de där(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.]
die(o)[aanwijzend voornaamwoord - mv.] de där(o)[aanwijzend voornaamwoord - mv.]
die(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - mv.] de där(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - mv.]
die(pronoun n)[who (relative pronoun)] som(pronoun n)[who (relative pronoun)]
die(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - mv.] den där(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - mv.]
die(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.] den där(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.]
die(o)[bettr. vnw. - onderwerp - pl.] den där(o)[bettr. vnw. - onderwerp - pl.]
die(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.] den där(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.]
die(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - mv.] den där(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - mv.]
die(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.] den där(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.]
die(o)[aanwijzend voornaamwoord - mv.] den där(o)[aanwijzend voornaamwoord - mv.]
die(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - mv.] den där(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - mv.]
die(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - enk.] den där(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - enk.]
die(o)[aanwijzend] den där(o)[aanwijzend]
die(pronoun)[specified object] den där(pronoun)[specified object]
die(conj determiner pronoun adv)[which] som(conj determiner pronoun adv)[which]
die(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - mv.] som(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - mv.]
die(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.] som(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.]
die(o)[bettr. vnw. - onderwerp - pl.] som(o)[bettr. vnw. - onderwerp - pl.]
die(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.] som(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.]
die(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - mv.] som(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - mv.]
die(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.] som(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.]
die(o)[aanwijzend voornaamwoord - mv.] som(o)[aanwijzend voornaamwoord - mv.]
die(o)[aanwijzend] som(o)[aanwijzend]
die(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.] det där(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.]
die(o)[bettr. vnw. - onderwerp - pl.] det här(o)[bettr. vnw. - onderwerp - pl.]
die(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.] det här(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.]
die(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - mv.] det här(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - mv.]
die(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.] det här(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.]
die(o)[aanwijzend voornaamwoord - mv.] det här(o)[aanwijzend voornaamwoord - mv.]
die(o)[aanwijzend] det här(o)[aanwijzend]
die(conj determiner pronoun adv)[what is being indicated] det där(conj determiner pronoun adv)[what is being indicated]
die(pronoun)[specified object] det där(pronoun)[specified object]
die(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - mv.] det där(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - mv.]
die(determiner pronoun n)[(''relative'') who, whom, what] som(determiner pronoun n)[(''relative'') who, whom, what]
die(o)[bettr. vnw. - onderwerp - pl.] det där(o)[bettr. vnw. - onderwerp - pl.]
die(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.] det där(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.]
die(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - mv.] det där(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - mv.]
die(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.] det där(o)[bettr. vnw. - lijdend vw. - enk.]
die(o)[aanwijzend voornaamwoord - mv.] det där(o)[aanwijzend voornaamwoord - mv.]
die(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - mv.] det där(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - mv.]
die(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - enk.] det där(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - enk.]
die(o)[aanwijzend] det där(o)[aanwijzend]
die(conj determiner pronoun adv)[what is being indicated] den där(conj determiner pronoun adv)[what is being indicated]