Zoek woord dat heeft 39 resultaten
NLNederlandsSVZweeds
dat(o)[aanwijzend voornaamwoord] den(o)[aanwijzend voornaamwoord]
dat(conj determiner pronoun adv)[what is being indicated] det där(conj determiner pronoun adv)[what is being indicated]
dat(conj determiner pronoun adv)[that thing] detta(conj determiner pronoun adv)[that thing]
dat(o)[aanwijzend] det(o)[aanwijzend]
dat(o)[aanwijzend voornaamwoord] det(o)[aanwijzend voornaamwoord]
NLNederlandsSVZweeds
dat(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.] det(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.]
dat(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.] det(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.]
dat(conj determiner pronoun adv)[that thing] det(conj determiner pronoun adv)[that thing]
dat(conj determiner pronoun adv)[what is being indicated] det(conj determiner pronoun adv)[what is being indicated]
dat(o)[aanwijzend] den(o)[aanwijzend]
dat(conj determiner pronoun adv)[that thing] det där(conj determiner pronoun adv)[that thing]
dat(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.] den(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.]
dat(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.] den(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.]
dat(conj determiner pronoun adv)[that thing] den(conj determiner pronoun adv)[that thing]
dat(conj determiner pronoun adv)[what is being indicated] den(conj determiner pronoun adv)[what is being indicated]
dat(conj determiner pronoun adv)[connecting a noun clause] att(conj determiner pronoun adv)[connecting a noun clause]
dat(o)[voegwoord] att(o)[voegwoord]
dat(determiner pronoun n)[(''relative'') who, whom, what] vilken(determiner pronoun n)[(''relative'') who, whom, what]
dat(conj determiner pronoun adv)[which] vilken(conj determiner pronoun adv)[which]
dat(conj determiner pronoun adv)[that thing] denna(conj determiner pronoun adv)[that thing]
dat(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.] den där(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.]
dat(o)[aanwijzend] som(o)[aanwijzend]
dat(o)[aanwijzend voornaamwoord] som(o)[aanwijzend voornaamwoord]
dat(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.] som(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.]
dat(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.] som(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.]
dat(pronoun adv int determiner)[nonstandard relative pronoun] som(pronoun adv int determiner)[nonstandard relative pronoun]
dat(conj determiner pronoun adv)[which] som(conj determiner pronoun adv)[which]
dat(o)[aanwijzend] den där(o)[aanwijzend]
dat(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - enk.] den där(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - enk.]
dat(o)[aanwijzend voornaamwoord] den där(o)[aanwijzend voornaamwoord]
dat(determiner pronoun n)[(''relative'') who, whom, what] som(determiner pronoun n)[(''relative'') who, whom, what]
dat(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.] den där(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.]
dat(conj determiner pronoun adv)[that thing] den där(conj determiner pronoun adv)[that thing]
dat(conj determiner pronoun adv)[what is being indicated] den där(conj determiner pronoun adv)[what is being indicated]
dat(o)[aanwijzend] det där(o)[aanwijzend]
dat(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - enk.] det där(a)[aanwijzend bijvoeglijk nw. - enk.]
dat(o)[aanwijzend voornaamwoord] det där(o)[aanwijzend voornaamwoord]
dat(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.] det där(o)[bettr. vnw. - onderwerp - enk.]
dat(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.] det där(o)[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.]