Zoek woord het gerucht gaat dat heeft 2 resultaten
Ga naar

NLFRVertalingen voor het

het(n v abbr)[work, suffice] aller(n v abbr)[work, suffice]
het[persoonlijk vnw. - lijdend vw.] ce[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
het[persoonlijk vnw. - onderwerp] ce[persoonlijk vnw. - onderwerp]
het[persoonlijk vnw. - lijdend vw.] ça[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
het[persoonlijk vnw. - onderwerp] ça[persoonlijk vnw. - onderwerp]
het[persoonlijk vnw. - lijdend vw.] cela[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
het[persoonlijk vnw. - onderwerp] cela[persoonlijk vnw. - onderwerp]
het le
het(article adv)[article] le(article adv)[article]
het[bepaald lidwoord] le[bepaald lidwoord]

NLFRVertalingen voor gerucht

gerucht(n v)[statement or claim from no known reliable source]{n} bruit(n v){m}[statement or claim from no known reliable source]
gerucht(n v)[statement or claim from no known reliable source]{n} rumeur(n v){f}[statement or claim from no known reliable source]
gerucht[verhaal]{n} rumeur{f}[verhaal]
gerucht[verhaal]{n} ouï-dire{m}[verhaal]

NLFRVertalingen voor dat

dat(determiner pronoun n)[(''relative'') who, whom, what] que(determiner pronoun n)[(''relative'') who, whom, what]
dat[aanwijzend] que[aanwijzend]
dat[aanwijzend voornaamwoord] que[aanwijzend voornaamwoord]
dat[bettr. vnw. - onderwerp - enk.] que[bettr. vnw. - onderwerp - enk.]
dat[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.] que[bettr. vnw. - voorwerp. - enk.]
dat(conj determiner pronoun adv)[connecting a noun clause] que(conj determiner pronoun adv)[connecting a noun clause]
dat[voegwoord] que[voegwoord]
dat(conj determiner pronoun adv)[which] que(conj determiner pronoun adv)[which]
dat ce
dat[aanwijzend] ce[aanwijzend]