Zoek woord zich uitkleden heeft 2 resultaten
Ga naar
NL Nederlands DE Duits
zich uitkleden (v) [persoon] auskleiden (v) [persoon]
zich uitkleden (v) [persoon] entkleiden (v) [persoon]

NL DE Vertalingen voor zich

zich selbst
zich (n v) [to make a mistake in one’s lines] versprechen (n v) [to make a mistake in one’s lines]
zich (n v) [put on clothes] anziehen (n v) [put on clothes]
zich (v) [establish financial position] festigen (v) [establish financial position]
zich (n v) [to make a mistake in one’s lines] verpatzen (n v) [to make a mistake in one’s lines]
zich (o) [wederkerend voornaamwoord - mv.] euch (o) [wederkerend voornaamwoord - mv.]
zich (v) sich (v)
zich (o) [wederkerend vnw. - enk.] sich (o) [wederkerend vnw. - enk.]
zich (o) [wederkerend vnw. - enk. - beleefd] sich (o) [wederkerend vnw. - enk. - beleefd]
zich (o) [wederkerend voornaamwoord] sich (o) [wederkerend voornaamwoord]

NL DE Vertalingen voor uitkleden

uitkleden (n) [(''transitive'') remove somebody’s clothing] ausziehen (n) [(''transitive'') remove somebody’s clothing]
uitkleden (v) [persoon] ausziehen (v) [persoon]
uitkleden (v) [persoon] entkleiden (v) [persoon]
uitkleden (v) [undress someone or something] entkleiden (v) [undress someone or something]