Zoek woord het eens zijn over heeft 3 resultaten
Ga naar

NLDEVertalingen voor het

het(n v abbr)[work, suffice] reichen(n v abbr)[work, suffice]
het(article adv)[article] das(article adv)[article]
het(o)[bepaald lidwoord] das(o)[bepaald lidwoord]
het(article adv)[article] der(article adv)[article]
het(o)[bepaald lidwoord] der(o)[bepaald lidwoord]
het(article adv)[stressed, indicating that the object in question is the only one worthy of attention] der(article adv)[stressed, indicating that the object in question is the only one worthy of attention]
het(article adv)[used with the name of a member of a class to refer to all things in that class] der(article adv)[used with the name of a member of a class to refer to all things in that class]
het(article adv)[with a superlative] der(article adv)[with a superlative]
het(article adv)[article] die(article adv)[article]
het(o)[bepaald lidwoord] die(o)[bepaald lidwoord]

NLDEVertalingen voor eens

eens(adj v adv n)[implying extreme example] selbst(adj v adv n)[implying extreme example]
eens(adj v adv n)[implying extreme example] sogar(adj v adv n)[implying extreme example]
eens(adj v adv n)[implying extreme example] auch(adj v adv n)[implying extreme example]
eens(o)[hoeveelheid] einmal(o)[hoeveelheid]
eens(o)[toekomst] einmal(o)[toekomst]
eens(o)[verleden] einmal(o)[verleden]
eens(o)[verleden] einst(o)[verleden]
eens(o)[verleden] einstmals(o)[verleden]
eens(o)[toekomst] eines Tages(o)[toekomst]
eens(o)[toekomst] irgendwann(o)[toekomst]

NLDEVertalingen voor zijn

zijn(v){n}
  • geweest
  • bent
  • zijn
  • was
  • waren
geben(v)
  • gegeben
  • gibst
  • geben
  • gaben
  • gabst
  • gib
zijn(n)[bestaan]{n} Leben(n){n}[bestaan]
zijn(n)[bestaan]{n} Sein(n){n}[bestaan]
zijn(v)[filosofie]{n}
  • geweest
  • bent
  • zijn
  • was
  • waren
existieren(v)[filosofie]
  • existiert
  • existieren
  • existierst
  • existiertest
  • existierten
  • existiere
zijn(n)[filosofie]{n} Dasein(n){n}[filosofie]
zijn{n}
  • geweest
  • bent
  • zijn
  • was
  • waren
befinden(sich)
  • befunden
  • befinden
  • befindest
  • befandest
  • befanden
  • befind(e)
zijn(n){n}
  • geweest
  • bent
  • zijn
  • was
  • waren
sein(n)
  • gewesen
  • sind
  • bist
  • warst
  • waren
  • sei
zijn(v)[(archaic) used to form the perfect aspect with certain intransitive verbs]{n}
  • geweest
  • bent
  • zijn
  • was
  • waren
sein(v)[(archaic) used to form the perfect aspect with certain intransitive verbs]
  • gewesen
  • sind
  • bist
  • warst
  • waren
  • sei
zijn(v)[algemeen]{n}
  • geweest
  • bent
  • zijn
  • was
  • waren
sein(v)[algemeen]
  • gewesen
  • sind
  • bist
  • warst
  • waren
  • sei
zijn(a)[bezittelijk bijvoeglijk nw. - enk.]{n}
  • geweest
  • bent
  • zijn
  • was
  • waren
sein(a)[bezittelijk bijvoeglijk nw. - enk.]
  • gewesen
  • sind
  • bist
  • warst
  • waren
  • sei

NLDEVertalingen voor over

over(o)[overblijvend] übrig(o)[overblijvend]
over(o)[verband] angesichts(o)[verband]
over(o)[verband] bezüglich(o)[verband]
over(o)[verband] hinsichtlich(o)[verband]
over(o)[verband] in Beziehung auf(o)[verband]
over(o)[verband] in Bezug auf(o)[verband]
over(o)[verband] in Hinblick auf(o)[verband]
over(o)[algemeen] über(o)[algemeen]
over(prep adv adj)[concerned with, engaged in] über(prep adv adj)[concerned with, engaged in]
over(prep adv adj)[concerning] über(prep adv adj)[concerning]