Zoek woord het eens zijn heeft 6 resultaten
NL Nederlands DE Duits
het eens zijn einigen (sich)
het eens zijn (v) [algemeen] zustimmen (v) [algemeen]
het eens zijn (v) [algemeen] einverstanden sein (v) [algemeen]
het eens zijn (v) [algemeen] übereinstimmen (v) [algemeen]
het eens zijn (v) [algemeen] sich einigen (v) [algemeen]
NL Nederlands DE Duits
het eens zijn einigen (sich)

NL DE Vertalingen voor het

het (n v abbr) [work, suffice] reichen (n v abbr) [work, suffice]
het (article adv) [article] das (article adv) [article]
het (o) [bepaald lidwoord] das (o) [bepaald lidwoord]
het (article adv) [article] der (article adv) [article]
het (o) [bepaald lidwoord] der (o) [bepaald lidwoord]
het (article adv) [stressed, indicating that the object in question is the only one worthy of attention] der (article adv) [stressed, indicating that the object in question is the only one worthy of attention]
het (article adv) [used with the name of a member of a class to refer to all things in that class] der (article adv) [used with the name of a member of a class to refer to all things in that class]
het (article adv) [with a superlative] der (article adv) [with a superlative]
het (article adv) [article] die (article adv) [article]
het (o) [bepaald lidwoord] die (o) [bepaald lidwoord]

NL DE Vertalingen voor eens

eens (adj v adv n) [implying extreme example] selbst (adj v adv n) [implying extreme example]
eens (adj v adv n) [implying extreme example] sogar (adj v adv n) [implying extreme example]
eens (adj v adv n) [implying extreme example] auch (adj v adv n) [implying extreme example]
eens (o) [hoeveelheid] einmal (o) [hoeveelheid]
eens (o) [toekomst] einmal (o) [toekomst]
eens (o) [verleden] einmal (o) [verleden]
eens (o) [verleden] einst (o) [verleden]
eens (o) [verleden] einstmals (o) [verleden]
eens (o) [toekomst] eines Tages (o) [toekomst]
eens (o) [toekomst] irgendwann (o) [toekomst]

NL DE Vertalingen voor zijn

zijn (v) {n} geben (v)
zijn (n) [bestaan] {n} Leben (n) {n} [bestaan]
zijn (n) [bestaan] {n} Sein (n) {n} [bestaan]
zijn (v) [filosofie] {n} existieren (v) [filosofie]
zijn (n) [filosofie] {n} Dasein (n) {n} [filosofie]
zijn {n} befinden (sich)
zijn (n) {n} sein (n)
zijn (v) [(archaic) used to form the perfect aspect with certain intransitive verbs] {n} sein (v) [(archaic) used to form the perfect aspect with certain intransitive verbs]
zijn (v) [algemeen] {n} sein (v) [algemeen]
zijn (a) [bezittelijk bijvoeglijk nw. - enk.] {n} sein (a) [bezittelijk bijvoeglijk nw. - enk.]